Man & Macht

Deze nieuwsbrief is een voorpublicatie van mijn voorwoord bij filosoof Kate Manne’s nieuwe boek Man & Macht. Dank aan uitgeverij Atlas Contact dat ik ‘t hier mag publiceren.🔮 

Mijn haar zit in een witte handdoek gewikkeld die naar eucalyptus ruikt. Naast me vloekt een vrouw: ‘O for fuck’s sake, klootzak.’ We kijken met een groepje van vijf vrouwen naar het hangende televisiescherm in de kleedkamer van mijn sportschool in New York. CNN doet verslag van de stemming van de senaatscommissie over de aanstelling van Brett Kavanaugh als rechter in het Hooggerechtshof – een positie voor het leven. We bevinden ons in verschillende stadia van kledij en razernij. Ondanks de ernstige aantijging van Christine Blasey Ford dat Kavanaugh zich vroeger schuldig zou hebben gemaakt aan seksueel geweld jegens haar, is de kogel net door de kerk in zijn voordeel: 50 senatoren stemmen vóór zijn aanstelling en 48 tegen. 

Als in trance luisteren we naar de Republikeinse fractievoorzitter Mitch McConnell, die het in zijn toespraak opneemt voor Kavanaugh en het proces van de afgelopen twee weken vergelijkt met ‘McCarthy-tactieken’, refererend aan de anticommunistische heksenjacht uit de jaren vijftig. ‘Als hij de waarheid zo belangrijk vindt, waarom was McConnell dan zelf tégen een degelijke onderzoeksprocedure naar Fords aanklachten?’ briest een van de vrouwen, een föhn in haar hand bungelend. 

Ik hoor gesnik en trek mijn blik los van het scherm. Een donkere vrouw in een gele handdoek is aan het huilen, haar ogen gesloten. Een oudere, blote vrouw mompelt iets, strekt aarzelend haar arm uit en legt een hand op haar schouder. Het had een Caravaggio-schilderij kunnen zijn, alleen zou die dit tafereel nooit aanschouwd hebben. Ik denk aan alle scènes uit vroegere vrouwenlevens die nooit zijn opgetekend omdat de inktpot en verftubes elders lagen. De blote vrouw heeft nu haar hele arm om de schouder van de huilende vrouw geslagen en mompelt iets wat ik niet kan horen. Haar tepels drukken zacht tegen de bovenarm van de andere vrouw, die haar hoofd knikt op het ritme van de bemoedigende woorden. Ik voel zelf ook tranen achter mijn ogen prikken en ik weet niet of dat is uit woede of ontroering. Redelijke mensen kunnen het erover oneens zijn over of Kavanaugh wel of niet aangesteld had moeten worden, maar het proces bewees één ding: wat een leeuwenklus het is om gehoord te worden als aangerande vrouw. 

Een paar weken eerder getuigde een bevende Blasey Ford in het Capitool, voor een vrijwel geheel mannelijke, Republikeinse senaatscommissie. Ze vertelde hoe Kavanaugh haar op haar vijftiende zou hebben beklommen in een donkere slaapkamer, een hand op haar mond drukte en haar probeerde uit te kleden. ‘Ik sta hier niet omdat ik hier wil staan. Ik ben doodsbang. Ik sta hier omdat het mijn burgerlijke plicht is om te vertellen wat er is gebeurd.’ 

Kort na de getuigenis klimt, in Nederland, Youp van ’t Hek in zijn stoffige ganzenveer, doopt hem in rancune en schrijft het volgende in NRC Handelsblad

‘Bij die Ford vroeg ik me steeds af: waarom dit wanstaltige amateurtoneel met die gebroken stem en die krokodillentranen? Na 35 jaar! Waarom is ze toen niet krijsend naar haar moeder gerend? Aanranding en bijna-dood! Hallo? Is het geen belediging voor echt verkrachte vrouwen, die de rest van hun leven worstelen met de grootste trauma’s? Dit is toch gewoon een van de miljoenen dronken studentenkamerincidentjes?’ 

Toch sympathiek, die bezorgdheid om ‘echt verkrachte vrouwen’. Gelukkig hebben we experts als Van ’t Hek, die het kaf van het koren kunnen scheiden in deze verwarrende wereld. 

Zijn irritatie leek primair voort te komen uit onbegrip: ‘Al die zaken van dertig tot veertig jaar terug die nu opeens naar buiten moeten. Waarom zo lang gezwegen? Waarom nu pas? En waarom met zoveel bombarie?’ En waar onbegrip bij vrouwen zich vaak uit in onzekerheid en aarzeling, doet het mannen (in dit geval Van ’t Hek) eerder hun stem verheffen. 

Ik schreef een kritische brief, die werd gepubliceerd in dezelfde krant. Mijn inbox kraakte de volgende dagen in zijn voegen, van tegen de plinten klotsende ronkende pijn, schaamte, woede en frustratie van vrouwen – en een enkele man – die zelf seksueel overschrijdend gedrag hadden ervaren. Velen deelden ervaringen, spraken over ingehouden adem, afgewende gezichten en jarenlang gefermenteerde zelfhaat.

Uit een aantal reacties sprak ook ontzag: ‘Ik neem mijn pet voor je af, dat je zo’n cultureel icoon durft aan te pakken.’ Tijdens het lezen van Man en macht begreep ik beter in welk licht ik die uitspraak kan zien – misschien niet enkel ontzag voor autoriteit, maar versterkt door de component mánnelijke autoriteit. In het hoofdstuk ‘Onverkiesbaar – over aanspraken op macht’ laat Manne zien hoe leiderschap – het aangeven van de koers, in dit geval die van het publieke discours – vervlochten is met gender. Onderzoek wijst uit dat vrouwen minder snel als geschikte leiders worden gezien, maar ook dat het bekritiseren van een man in een machtige positie een vrouw extra duur komt te staan. 

‘Een beetje sorry mag ik wel zeggen,’ grijnsde Van ’t Hek ongemakkelijk twee weken later aan tafel bij talkshow Pauw. Het kwetsbare sorry moest echter maar gauw weggespoeld worden met een vertrouwde dosis gestrekt been. Hoewel Van ’t Hek naar eigen zeggen ‘niet genoeg rekening had gehouden met de echte slachtoffers van MeToo’ liet hij achteraf nog gauw optekenen op de website van het programma dat zijn excuus ‘niet echt een excuus’ was. Immers gold alsnog dat ‘die mevrouw een liegende kakelmuts’ is. Van ’t Hek bleef dus poortwachter van écht slachtofferschap, verondersteld haarfijn aanvoelend wat traumatische ernst is en wat opportunistische krokodillentranen zijn. In het hoofdstuk ‘Zonder pretenties – over aanspraken op kennis’ omschrijft Manne hoe de man cultureel gepercipieerd wordt als de ‘kenner’ – degene die over informatie en de capaciteit er chocola van te maken beschikt. Gezaghebbend, met andere woorden. 

Zijn wantrouwen jegens Blasey Ford leek gestoeld op een mengeling van rancune en whaddaboudism (dit laatste zijnde een verbastering van de tactiek binnen debatvoering waarbij de opponent afleidt van de hoofdzaak door over iets anders te beginnen: ‘Okay, but what about this?’). Van ’t Hek diezelfde avond: ‘Ik heb zoveel vrouwen mannen zien verleiden en ontwrichten. De dames moeten ook eens even een spiegeltje kopen met z’n allen.’ Rancune over het feit dat vrouwen ook – wie had dat gedacht! – manipulatief, gemeen of inderdaad ontwrichtend kunnen zijn. Waarom hebben we het daar nooit over! Zolang vrouwen geen heiligen zijn, leek Van ’t Hek te zeggen, kreeg Blasey Ford het nadeel van de twijfel.

Wat de fronsende vrouwen in mijn New Yorkse kleedkamer en ik wisten, is dat het nadeel van de twijfel op het gebied van grensoverschrijdend seksueel gedrag niets nieuws onder de zon is. En dat de statistische kans dat wij seksueel overschrijdend gedrag meemaken in onze levens vele malen groter is dan de kans dat het leven van een man wordt geruïneerd als gevolg van een onterechte aantijging. Zelf had ik na mijn vijfentwintigste al twee handen nodig om de keren te tellen, niet meegerekend alle ongewenste strelingen tijdens het uitgaan of de talloze bedelende ‘toe-nou’s’ na een reeds ferm ‘nee’. 

Die maand verschijnt een andere column. In De Telegraaf doet presentator en journalist Catherine Keyl haar duit in het zakje. MeToo heeft volgens haar ‘meer kwaad dan goed’ gedaan. Ze vindt het ‘ongelooflijk jammer dat mannen door al dit MeToo-gedoe echt bang zijn geworden om flirterig te zijn met vrouwen.’ Dit is wat Manne in haar introductie omschrijft als ‘hempathie’ – het fenomeen waarbij mannen eerder sympathie en inleving kunnen verwachten dan de vrouwen die hen aanklagen of bekritiseren – ongeacht de validiteit of ernst van de aanklacht of kritiek. 

Keyl schreef: ‘Tijdens een vlucht van twee uur naar Alicante heb ik deze week geamuseerd zitten kijken naar het flirten van de Oekraïense purser en de Spaanse stewardess. Bij het beginnend liefdesspel in de cabine dacht ik steeds: als ze hem maar niet aanklaagt.’ 

Deze vliegtuigoverpeinzing zegt veel over wie er als uitgangspunt wordt genomen, namelijk de mogelijk gedupeerde man wiens goedbedoelde geflirt verkeerd wordt begrepen. Er stond ‘als ze hem maar niet aanklaagt’ in plaats van ‘als ze dit maar wel écht leuk vindt’. De voorrang wordt gegeven aan de mogelijk ongewenste uitwassen van een maatschappij waarin meer rekenschap wordt afgelegd over seksueel gedrag en grenzen. Aan onterechte aanklachten in plaats van terechte. Aan mannelijk ongemak boven vrouwelijke veiligheid. 

Keyl voelt net als Van ’t Hek aan dat MeToo diskwalificeren als beweging wel erg ver gaat. ‘Denk nou niet dat ik aanranding of verkrachting niet erg vind of zo. Ik ben er zelf slachtoffer van geweest en weet dus als geen ander hoe het je leven kan beïnvloeden. Maar één foute man wil nog niet zeggen dat ze allemaal fout zijn.’ 

Wat Keyl zegt is als zodanig ook geen ongegronde zorg. Potentiële bijeffecten van gerechtelijke evoluties – in dit geval: het mondjesmaat serieuzer nemen en dus bestraffen van seksueel overschrijdend gedrag – moeten altijd in overweging moeten worden genomen bij de vaststelling van een nieuwe norm, en dienen onderzocht te worden. Maar Keyl vergroot deze uit en redeneert disproportioneel vanuit de man. 

Je kunt inderdaad, zoals Keyl, over MeToo zeggen: een nieuwe standaard vraagt mannen voorzichtiger te zijn en soms neemt dat helaas wat spontaniteit weg. Je kunt ook zeggen, zoals het Centraal Bureau voor Statistiek doet: de beweging heeft Nederlandse slachtoffers van seksueel overschrijdend gedrag aangemoedigd aangifte te doen. In 2014 meldden mensen 1200 keer een verkrachting bij de politie. In 2018, een jaar na het ontvlammen van MeToo, waren dit er 1900. Een toename van 58 procent. Het aantal registraties van aanrandingen nam gelijkerwijs toe met 41 procent. Er is niets dat verklaart waarom er meer verkrachtingen of aanrandingen zouden hebben plaatsgevonden. Wel is er die grote maatschappelijke beweging, die hier en daar wat geflirt doet verstommen.

In hoofdstuk zes laat Manne kundig zien dat het abortusdebat een soortgelijke selectieve verontwaardiging kent. Antiabortusactivisten claimen te spreken vanuit de overtuiging dat het leven heilig is, en dat abortus moord is. ‘Waarom zijn velen van hen [in de Verenigde Staten] dan wel vóór de doodstraf?’ vraagt Manne zich af. ‘En waarom nemen ze een aantoonbaar groter aantal doden onder vrouwen, als gevolg van illegale zelfuitgevoerde abortussen, voor lief?’ Omdat de navelstreng van het debat minder vervlochten is met religieuze redenen, en meer met de politiek van het regeren over het vrouwelijk lichaam, stelt Manne. 

In Nederland is het conservatievere anti-abortussentiment de afgelopen jaren weer gegroeid, na een relatief lange periode van stabiliteit. Sinds enkele jaren registreren abortusklinieken een toename van antiabortusactivisten voor hun deur. Gespeculeerd wordt daarbij over de toenemende invloed van christelijk rechts in het Witte Huis en een groei van internationale rechts-populistische partijen en organisaties. Dat het weinig met nationale context te maken heeft, zei ook PvdA-kamerlid en oprichter van het fonds SheDecides Lilianne Ploumen, in de Volkskrant: ‘Nederland heeft een consistent laag aantal abortussen op wereldniveau. Dat komt onder andere door goede seksuele voorlichting, anticonceptie en goede begeleiding bij een abortus.’ 

Naast antiabortusactivisten mobiliseren ook zelfbeschikkingsactivisten zich effectief in Nederland. Een samenwerking van de feministische organisatie De Bovengrondse en het Humanistisch Verbond leidde tot het initiatief Abortusbuddy’s. Binnen een paar maanden meldden 3500 vrijwilligers zich aan om mensen te vergezellen naar een abortuskliniek. Het laat niet enkel zien dat het abortusdebat niet iets van vroeger is, maar ook dat het verbonden is met internationale conservatieve stromen – het maakt de analyses van Manne des te relevanter. 

Ik was deze maand betrokken bij de campagne ‘Abortus redt levens‘ (lees er meer over in mijn Instagram highlight ‘zelfbeschikking‘)

Terug naar onze columnisten. Het lijkt misschien oneerlijk zo in te zoomen op individuen als Van ’t Hek of Keyl. Spreken zij nu echt voor de goegemeente? Die columns zijn toch ook maar een mening? En een culturele hofnar als Youp mag zich toch wat meer krasheid permitteren in zijn uitspraken? Zíjn we niet een beetje doorgeslagen? Het zijn valide vragen – vragen die indertijd, in oktober 2018, inderdaad door mijn hoofd raasden en dat nog steeds met regelmaat doen, zoals het ieder kritisch individu betaamt. Maar het blijft curieus hoeveel inkt en adem besteed moet worden aan de verantwoording voor de agendering van ongelijkheid. 

Het is mij – en ik durf te stellen het gros van feministen – in elk geval nooit om de individuele criticasters te doen geweest. Waarschijnlijk is dat ook de hoofdreden dat ik niet met mijn ogen heb geknipperd voor ik in mijn pen klom om Van ’t Hek te bekritiseren: ik las geen column van een cabaretier met een imposante staat van dienst, ik las een stuk stemmingmakerij uit de Oude Wereld. Een wereld waar ik niet voor zal tekenen. 

Het uitlichten van casussen, zoals ook Manne doet, dient een simpel doch belangrijk doel: het illustreren en kracht bijzetten van statistieken die er niet om liegen. Een uitlichting van een casus is geen oorlogsverklaring noch een definitieve reducering van een persoon tot enkel dát – wat het wel doet, is bepaalde zaken in het licht zetten, een licht waar we als vrouwen lang de schakelaar niet van mochten bedienen. 

Er is een percentage dat me al geruime tijd intrigeert: 30 procent. Ondanks dat vrouwen de helft van de Nederlandse bevolking beslaan, komen ze op belangrijke vlakken qua participatie niet veel verder dan dat ene derde. In de Tweede Kamer schommelt sinds 2000 het percentage vrouwen rond de 35 procent. Bij actualiteitenprogramma’s is zo’n 25 procent van de deskundigen vrouw. Achtentwintig procent van de topfuncties in het bedrijfsleven wordt bekleed door een vrouw (een schamele 5 procent schopt het tot algemeen directeur en, fun fact, dat betekent dat er meer algemeen directeuren zijn die Peter heten dan vrouw zijn). 

Corry Tendeloo, PvdA-Tweede Kamerlid, die als een leeuwin lobbyde voor afschaffing van de handelingsonbekwaamheid van getrouwde vrouwen in 1956. Foto privé beheer via Eduard van Hengel.

Het is niet langer voor de hand liggend om de oorzaken van deze discrepantie tussen bevolkingspercentage en participatie primair te zoeken in de wettelijke sfeer. Vrouwen in Nederland mochten tot 1919 niet stemmen; tot 1955 werden we ontslagen uit overheidsdienst de dag dat we trouwden; tot 1956 werden we diezelfde dag handelingsonbekwaam volgens het burgerlijk wetboek; tot 1984 waren we geen baas in eigen buik; tot 1991 was verkrachting binnen het huwelijk legaal. Maar er zijn nu al een aantal decennia vrijwel geen actief discriminerende wetten meer omtrent gender (met de nadruk op vrijwel: tot 2014 was het bijvoorbeeld nog een wettelijke eis dat transgender personen, als zij een geslachtswijziging in hun paspoort wilden, zich lieten steriliseren en geslachtsaanpassende operaties zouden ondergaan). Het ontleden van de discrepantie vereist dan ook een subtieler scherp oog, een blik die is gericht op de sociale en culturele residuen van een wettelijk patriarchaat. 

Want wat, tot slot, zijn natuurlijke neigingen tot of voorkeuren voor het een of het ander, wat zijn residuen van historisch politiek geënsceneerde genderongelijkheid? Het is bij vlagen een overweldigend groot vraagstuk, maar opdelen in stukjes helpt. Een cruciale deelvraag luidt: liggen er specifieke, soms subtiele obstakels op het pad van de vrouw die haar keuzevrijheid significant beïnvloeden en beperken? Manieren waarop de uitgangsnorm mannelijk is, waardoor vrouwen worden benadeeld? Het korte antwoord is ja. Het lange antwoord is het boek van Kate Manne. 

Dan. Ik mag drie boeken weggeven aan lezers van deze nieuwsbrief. Stuur een kort mailtje naar prnon-fictie@atlascontact.nl o.v.v. Vrijschrift/Kate Manne om kans te maken (mag gewoon zijn ‘hoi ik heb interesse!’). Je mailadres wordt nergens anders voor gebruikt.

Als je Man en Macht wilt bestellen raad ik je aan dit via je lokale boekhandel te doen ipv. bij Bol.com (boekhandels kunnen alle steun gebruiken in deze economisch zware tijden). Ik wil er wel nog bij opmerken dat hoewel mijn inleiding primair focust op Nederland haalt de rest van het boek vooral onderzoek en anekdotes aan uit de Amerikaanse context - die desalniettemin relevant zijn voor de Nederlandse lezer.

Tot slot, jullie steun helpt me om onafhankelijk te blijven en me te verdiepen in thema’s die ik echt belangrijk vind. Als je deze nieuwsbrief met plezier leest, of mijn werk in het algemeen wilt steunen dan kan dat hier met een (kleine) donatie. Veel dank, it means a lot.♥️

Liefs,

Madeleijn

PS. De volgende nieuwsbrief wordt een lijstje lees/kijk/luistertips, ter afwisseling!🔮Voor nu, hier een scherp interview met Manne in de New Yorker, en hier in de Volkskrant.

PPS. Het screenshotten en delen van stukjes tekst mag altijd, vind ik alleen maar leuk.